ArtsAutosBooksBusinessEducationEntertainmentFamilyFashionFoodGamesGenderHealthHolidaysHomeHubPagesPersonal FinancePetsPoliticsReligionSportsTechnologyTravel

De Spoken van Brugge

Updated on September 24, 2010

Een Schattenjacht... op het Heilig Bloed van Brugge!

In Brugge bevindt zich een echt spookhuis, waar in de loop der tijden een reeks moorden werd gepleegd, die wellicht te maken hadden met een verloren gegane schat van historische waarde. Er zijn redenen om aan te nemen dat het hier om niets minder gaat dan de Heilige Graal - en sinds Dan Brown's Da Vinci Code weten we dat daarmee ook wel eens "de bloedlijn van Christus" bedoeld werd. Het is dus onzinnig de Graal - of het "Heilig Bloed van Christus" - in Frankrijk of in het Engelse Glastonbury te zoeken: het wordt al sinds de Kruistochten vereerd in Brugge, waar het terecht kwam door toedoen van de Tempeliers én van de graaf van Vlaanderen.

Via een medium dat in contact staat met "gene zijde" ontvangt uw team van schattenjagers nu een aantal boodschappen die u moet ontsluieren en opdrachten die u tot een goed einde moet brengen om nieuwe tips te ontvangen. Slaagt u erin uit te vissen waar het historische spookhuis zich precies bevindt, waar ooit al die vreselijke moorden werden gepleegd en waar de enige echte Graal lang geleden spoorloos is verdwenen?

Wie de confrontatie met de raadsels van het verleden en de mysteries van het middeleeuwse Brugge wil aangaan, zal een spiritistische seance meemaken, boodschappen uit de geestenwereld ontvangen (via het ouija-bord)... en dat allemaal in het kader van een stadsspel, een speurtocht, een schattenjacht in het hart van Brugge...

Het spel neemt ongeveer 3 uur in beslag en kan gespeeld worden met 2 performers of met 1 spelleider. U kunt het ook helemaal zelf organiseren en spelen met een handig doe-het-zelf pakket. Wenst u dat wij ook de organisatie van eventuele randactiviteiten op ons nemen, zoals overnachting, accomodatie voor een vergadering... Dan maken wij graag een offerte op maat. Franse of Engelse versie mogelijk.

Vraag vrijblijvend een offerte via info@inter-actief.be

Het MinneWater

Soms geeft een medium je een onvolledige boodschap door. In deze tekst zit bijvoorbeeld een plein verborgen. Slaag jij erin het terug te vinden?

Minna woonde met haar oude vader in een klein vissershutje langs de Reie. Een leven lang had hij de woeste ateren van de Noordzee bevaren. Hij leefde van de karige vis n de Reie en droomde van een onge kerel die zijn boot weer zou bemannen. Eigenlijk dacht de vader van Minna aan een vent als Horneck, die de zoon was van ee visser - maar Minna was stapelverliefd op de jonge boer Stromberg. ‘Een boer is geen geschikte partij voor de dochter van een visser,’ zei haar vader. En dus ontmoette Minna haar geliefde in het geheim aan de oevers van de Reie, waar ze wekropen in het riet.

Er brak een oorlog uit. De vissers bleven thuis, maar de boeren trokken ten strijde. Minn’s vader zag zijn kans schoon: ‘Binnen drie dgen trouw jij met Horneck,’ spak hij. Minna huilde twee dagen en nachten en op de derde dag vluchtte ze de duinen in. Van ’s ochtends tot ’s avonds liep ze door heide en bossen tot ze uitgeput neerviel aan de oever van e Reie, waar ze wegkroop in het riet. Toen Stromberg na een week verloren strijd naar huis terugkeerde, hoorde hij dat zijn meisje spoorloos was verdwenen. Hij ging naar haar o zoek en vond haar op hun geheime pekje. En Minna stierf de nacht in de armen van haar geliefde.

De zon kwam op en Stromberg werp een dam op in de Reie, zodat al het water naar zee afvloeide en de vissers in de modder stroomafwaarts alleen nog vissen vonden die wanhopig hapten naar lucht. In de droge bedding groef Stromberg een graf voor Mina. Hij dekte haar toe met een mantel van waterlelies. Een volle nacht waakte hij bij haar en daarna gaf hij het water weer zijn vrije loop. Al gauw weerspiegelde het graf van zijn dode liefde de hemelsblauwe lucht. Toen rolde Stromberg een zware zwarte steen naar de oever en hakte hij daarin de letters: M-I-N-N-A-W-A-T-E-R

Bij het Guido Gezelle Plein

Er wordt wel eens gezegd dat Brugge een spookstad is waar alleen de doden tot leven komen, tijdens de late avonduren als de grijze huizen slapen en langs hun gevels de schaduwen glijden van een ver verleden... Wie goed luistert, zegt men, kan achter de luiken nog stemmen horen uit vervlogen tijden.

Op een avond, nog niet zo lang geleden, maakte ik een ritje in één van die talloze tijdloze koetsen die ter beschikking worden gesteld van de toeristen. De koetsier, een oud en vriendelijk heerschap, wist mij een massa wetenswaardigheden op te dissen over Brugge-die-Stille - zoals deze stad wel eens wordt genoemd.

'Meneer,' zei ik ten slotte, 'u die dag en nacht door deze stad rijdt... U hebt hier wellicht al veel vreemde dingen gezien? De spoken van Brugge, meneer... Zijn zij echt? Of bestaan zij alleen maar in onze verbeelding?'

'Och, jongeheer,' glimlachte hij. 'Ik rij nu al meer dan vijfhonderd jaar rond in deze stad en geloof me vrij: nog nooit heb ik hier een echte spookverschijning gezien!'

Vroeg of laat hebben al die verhalen van Brugge altijd weer met dat vervloekte huis te maken. Urenlang heb ik geluisterd naar de eindeloze verhalen van de schimmen die bij nacht en ontij door Brugge dwalen. De eikenhouten balken en betimmeringen van dat slapeloze oude huis bezitten het vermogen de trillingen uit het verleden te weerkaatsen, die ooit door het hout werden opgevangen. Als je goed luistert, dan...

Wil je ze horen, maatje? De verhalen? Wil je ze horen? Ja natuurlijk wil je ze horen. Waarom zou je anders hierheen gekomen zijn hé? Volg me dus maar. Kom, volg me maar!

Slaag jij erin het gedicht van Guido Gezelle over Brugge aan te vullen?

’t Is wonder hoe de Brugse stad

bijna heel ’t Heilig Land bevat:

hier heet een kerk . . . . . . . . .

of . . . . . . . . of Bethlehem,

. . . . . . . . . ligt niet ver van daar,

. . . . . . . ziet men nog voorwaar,

en . . . . met zijn oud convent

was eertijds heel de stad bekend.

Van aan . . . . . . . . hoog bekroond

alwaar de Carmelieter woont

tot op de . . . . waar ’t Heilig Bloed

. . . . . . . . . . . . herdenken doet,

brengt Brugge, ’t zij van welke kant

gedachten bij van ’t Heilig Land.

Den Noodt Godts

Het huis dat we zoeken, wordt al sinds de vroege middeleeuwen Den Noodt Godts genoemd. Het werd in 1616 grondig verbouwd en in 1970 gesloopt. Alleen de gevels en de poort zijn bewaard gebleven. Ooit lag dit slapeloze oude huis op wandelafstand van zowel de kaaien als de woonwijken van de rijke kooplui - Spanjaarden, oosterlingen, Florentijnen. Toen het Zwin verzandde, bleven de meeste paleizen in vreemde handen, want de Brugse reders en kooplui dreven nog steeds handel met Spanje, Engeland, Oost- en West-Indië.

In 1873 huurden lord en lady Unlacke Den Noodt Godts van een Brugse handelaar. Het was er donker en koud. Er waren kamers waar de zon nooit kwam en het huis bezat de onaangename geur van zwavel en pek. Misschien was het de lange en duistere geschiedenis van Den Noodt Godts die het huis zo deed stinken. Hoe dan ook, in de herfst van 1878 zag lady Unlacke een sneeuwwitte gedaante over de binnenplaats zweven. Ze dacht eerst aan de Schotse lady, maar het bleek een non te zijn, gekleed in een habijt dat al een paar eeuwen niet meer werd gedragen. Ter hoogte van de schouder was het gescheurd en was haar blanke huid bevlekt met bloed. Korte tijd later nam lord Unlacke het silhouet van een monnik waar, met een grimmig gezicht. Net zoals de schim van het mooie jonge nonnetje leek hij allerminst gehinderd te worden door muren of gesloten deuren. De monnik prevelde iets dat lord Unlacke niet kon verstaan.

Nu was de zus van lady Unlacke niemand minder dan Florence Marryat, een befaamd schrijfster en spiritiste. In de zomer van 1879 nodigde lady Unlacke haar zus Florence en haar verloofde uit in Den Noodt Godts, om een onderzoek in te stellen naar de spookachtige fenomenen. Zij brachten de helderziende William Eglinton mee, een ervaren medium en bemiddelaar tussen deze en gene zijde.

De heer Eglinton koos een kamer in het huis die een goed uitzicht had op de binnenplaats, omdat de geesten van de monnik en de non zich daar bij voorkeur leken te vertonen. Toen begon het lange wachten. Vanuit het raam van zijn kamer kon hij de Augustijnenrei zien, waarachter zich armoedige huisjes met moestuintjes bevonden. Het water van de rei lag er zwart en roerloos bij. Er bevond zich niemand op de kleine aanlegsteiger. Op straat leurde een vrouw met schelpdieren. Twee mestrapers betwistten elkaars territorium als grommende honden. Was alle moeite dan voor niets geweest? De ellendige rit van Londen naar Dover, de lange en oncomfortabele bootreis naar Brugge, het in- en uitladen van zijn bagage waarbij hij een beroep moest doen op brutaal personeel... en dan deze Noodt Godts: veelbelovend, maar verwaarloosd. Het huis had een slechte naam, maar daar leek het ook bij te blijven.

De heer Eglinton daalde de trappen af naar het salon van Den Noodt Godts. Lang geleden was dit huis een vrouwenklooster geweest, en volgens de overlevering was het mogelijk om via een onderaardse gang het Augustijnerklooster te bereiken, aan de overkant van het water. De voormalige kapel was nu ingericht als salon en het hele gezelschap zat er thee te drinken.

De heer Eglinton installeerde zich met een kop thee op de sofa. Het gesprek verliep voornamelijk in het Frans - een taal die hij niet machtig was - en hij verzonk algauw in sombere overpeinzingen.

Toen sprong hij plotseling hevig rillend op. 'Breng mij naar de kamer hierboven!' Zijn handen bewogen nerveus; hij kon met moeite rechtop blijven staan.

Op de trap verstijfde de heer Eglinton - en zo wankelde hij ook de kamer binnen: stijf als een plank. Hij zette voorzichtig een paar stijve stappen, uitte een onverstaanbare kreet, liep naar links, naar rechts. Opnieuw een kreet en toen... Toen begon de heer Eglinton opeens te worstelen met een onzichtbaar iemand. Het hele gezelschap liep de gang op, bevangen door een panische angst. Alleen Florence Marryat en ik bleven achter bij de heer Eglinton. 'Hortense o Florence!' gilde de heer Eglinton. 'Blijf bij mij! Blijf bij mij!'

De deur vloog met een harde klap dicht. De zware gordijnen waren gesloten en lieten nauwelijks licht binnen, maar toch konden Florence en ik het heel duidelijk zien... Het gezicht van de heer Eglinton... Het vertrok in een grimas van haat en kwaadaardigheid. Hij gromde en knarste met zijn tanden terwijl hij vocht met een schim... niet van de non, maar van de monnik. De schim droeg een pij, de kap was achterover geslagen, het hoofd was kaal geschoren en de ogen in dat angstwekkend magere gezicht... Verschrikkelijk!

En toen begon de verschijning te spreken! 'Ik leef... als een beest leeft dat bijna de nek is doorgebeten en voor dood werd achtergelaten, maar toch nog leeft...' zei de verschijning. 'Zo leef ik...'

We vermeden het in elkaars ogen te kijken terwijl we ons opnieuw verzamelden in het salon. Lady Unlacke zette verse thee. Het eerste kwartier zweeg iedereen. Toen haalde lord Unlacke een fles Ierse whiskey boven en kwam er een aarzelend gesprek op gang waaraan iedereen deelnam.

Iedereen, behalve de heer Eglinton. Hij greep een olielamp en stapte een aangrenzende kamer binnen. Op veilige afstand volgde het gezelschap hem. In de kamer namen we een blauwachtig schijnsel waar en opnieuw verscheen de monnik. Deze keer liep niemand weg.

'Wie bent u? Kunt u me horen?' vroeg de heer Eglinton. Zijn stem leek overal en nergens vandaan te komen en ze klonk alsof hij in een glas of in een beker sprak. En de stem van de monnik... Zij leek uit de muren te komen, uit de middeleeuwse muren van het eeuwenoude vervloekte huis dat wij nu zoeken...

Dit is wat de spookachtige stem vertelde:

Aan beide kanten van de Augustijnenrei ligt een klooster - aan de ene kant een mannenklooster, aan de andere kant een vrouwenklooster. De broeders bezoeken de zusters om missen op te dragen en hun biecht te horen. Haast niemand weet dat beide kloosters verbonden zijn door een onderaardse gang die onder de Augustijnenrei doorloopt... Maar deze ene Italiaanse monnik weet het. En deze ene mooie jonge non weet het. En in het geheim sluipt de monnik door de gang en bezoekt hij zijn geliefde... 'Kom met mij mee,' fluistert hij haar in het oor. 'Verlaat het klooster en volg mij...'

Het nonnetje voelt wel iets voor haar Italiaanse aanbidder, maar ze voelt meer voor haar hemelse bruidegom. Haar weigeringen om op zijn voorstellen in te gaan, haar dreigementen ten slotte dat zij haar overste zal inlichten... Ze maken de Italiaanse monnik gek van woede.

Op een avond legt hij zich bij de kapel in een hinderlaag. Wanneer zij de kapel verlaat, springt hij te voorschijn en vraagt haar met aandrang, voor de allerlaatste maal: 'Loop samen met mij weg uit het klooster! Kom en volg mij naar Italië!'

Het nonnetje probeert nog haar klooster binnen te vluchten, maar hij haalt haar in en brengt haar met verscheidene steken van een versgeslepen slagersmes om het leven. En hij sleept haar levenloze lichaam naar de onderaardse gang en graaft een ondiepe put waarin hij het lijk van zijn geliefde verbergt. En hij verwijdert haar bloedsporen en keert terug naar zijn cel.

Toen de geest van de monnik alles had opgebiecht wat hij op te biechten had, viel er een stilte. Daarna vroeg hij veel voor hem te bidden. Hij snikte, verborg zijn gezicht in zijn handen en loste op in het niets.

'Gelieve mij even te excuseren,' zei de heer Eglinton. 'De bekentenis van de Augustijnermonnik heeft mij uitgeput. Ik ga naar bed.'

Lord en lady Unlacke, Florence Marryat en haar verloofde... zij brachten de nacht wakend door. Wakend en zwijgend. Bij het eerste ochtendkrieken serveerden de bedienden met verwonderde blikken een vroeg ontbijt. Zij hadden hun kamers niet verlaten en wisten niets af van het hele gebeuren.

De heer Eglinton ontbeet samen met zijn gastheer en gastvrouw, met de schrijfster Florence Marryat en haar verloofde. Hij sprak geen woord.

Vervolgens maakte hij een lange wandeling. Er gebeurde die dag niets belangwekkends meer. Tot 's avonds.

De heer Eglinton kreeg zware stuiptrekkingen en leek in een coma te vallen. Opeens doofden alle kaarsen in Den Noodt Godts. En toen zag ik het ook, maatje... Op het voorhoofd van de heer Eglinton gloeide een kruis, vlak tussen de wenkbrauwen. Het verlichtte de kamer zelfs een beetje. We namen een flauwe luchtverplaatsing waar en...

'Hortense Dupont,' zuchtte de heer Eglinton met een zachte, diepe, vrouwelijke stem. 'Bid voor mij. Ik werd vermoord door een Italiaanse monnik. Bid voor hem. Zijn naam zal ik nooit noemen... Hij was éénendertig, ik was drieëntwintig. Hij had mij lief en ik had hem lief en... Bid voor ons.'

Ik zag Hortense Dupont ook even verschijnen. Ze was helemaal in het wit gekleed. In haar handen hield ze een kruis dat ze op haar borst drukte. Haar blik had ze naar de grond gericht. Ze leek te wenen.

Lady Unlacke verzocht de bedienden een lichte maaltijd te serveren, wat niet eenvoudig was op dit uur van de avond. Daarna bad iedereen tot de ochtend in de lucht kwam. Nog dezelfde dag reisden de heer Eglinton, Florence Marryat en haar verloofde terug naar Londen.

En ik... Ik wuifde hen uit, maatje. Ik wuifde hen uit.

Er zit een plaats verborgen in dit recept voor het maken van Wassen Poppen des Doods:

Ze zijn tenminste 6 centimeter groot en bestaan uit:

- 2 nagels, afgeknipt van vinger of teen;

- 4 haarlokken;

- 1 kledingstukje van de te treffen persoon;

- 4 hosties, gewijd.

De Spirituele Muziek van Bruges-la-Morte

Een kleine nachtmuziek weerklinkt in het verdoemde huis, ook wel Den Noodt Godts genoemd. Kinderen uit de buurt klimmen op elkaars schouders om een glimp op te vangen van de vleugelpiano, die door de laatste bewoners werd achtergelaten. Het deksel van het klavier is open geslagen. Voor de vleugel houdt een pianostoeltje trouw de wacht. En iedere nacht weer klinkt die prachtige ingetogen muziek door de straat.

De stad heeft de vorm van een doolhof... - ... en dus moet iedere geschiedenis zich hier herhalen!

In 1965 stond Den Noodt Godts op instorten, maatje, met scheuren in de muren die gevaarlijk overhelden en met funderingen die zo goed als volledig waren weggerot. Een halve eeuw eerder waren enkele bewoners van het huis in de kelders afgedaald en zij hadden daar een stenen trap gevonden die uitkwam op een zwaar bespijkerde eikenhouten deur. Opgewonden omdat ze blijkbaar op het spoor waren gekomen van iets hoogst geheimzinnigs - misschien wel de verborgen schat waarover oude legenden spraken - lichtten de werklui de deur uit haar hengsels.

Toen lag daar voor ons een nieuw ondergronds krocht waarin de olielampen doofden door een gebrek aan zuurstof. De werklui haalden een hoop kaarsen en waagden zich nogmaals in de bedorven lucht van de kelder. Op de wanden troffen ze niet alleen zwammen aan, maar ook halfvergane tapijten die met goud waren bestikt en... Tempelierskruisen!

In het midden van de kelder stond een plompe houten tafel met dertien stoelen. Dertien. De koperen nagels waren groen uitgeslagen. Groen. Volg je nog, maatje? Op een stoel, aan de tafel, zat een heer die zijn knokige arm om de schouders van een jongedame had geslagen. Mummies... Mummies waren het. Mummies met geelbruine perkamenten gezichten en lege oogkassen, die eeuwenlang versteend aan de tafel hadden gezeten waarop hun laatste avondmaal was opgediend...

De Tempelridder en zijn Dame in de kelders van Den Noodt Godts... Welk drama heeft hen hier in de dood verenigd? De ridder hield nog een brokje houtskool tussen zijn benige vingers, waarmee hij op het hout van de tafel met zijn laatste krachten een laatste boodschap had geschreven: Ons stervensuur nadert: mager, bleek en ontvleesd. Vergeef het ons, Heer! Dat zij die onze asse, onze vergane beenderen vinden, voor ons bidden! Maar er werd geen asse en er werden geen beenderen gevonden. De vreemde samenstelling van de lucht in de poederdroge kelder had de Tempelier en zijn Dame gemummificeerd. Er zat nog een andere deur in de kelder dan die waardoor wij naar binnen gedrongen waren, maatje. Die tweede deur viel echter in stof uit elkaar toen wij haar aanraakten. Er lag een nieuwe onderaardse gang achter. De bodem was bedekt met slijmerig slijk waarin vette padden en hagedissen nestelden. In deze gang, die naar het nonnenklooster aan de overkant van de rei leidde, troffen wij het skelet aan van een derde persoon, bij een roestig slagersmes.

Nu vraag ik je, maatje... Welke verschrikkelijke mysteries liggen er besloten in de ondergrondse ruimtes van Den Noodt Godts? Was de dame de bruid van de man met het slagersmes geweest? Werd zij geschaakt door de Tempelier, die behoorde tot een ridderorde die wegens ketterse praktijken in de ban van de kerk werd geslagen? Sloot de man met het slagermes hen hier op om ze de hongerdood te laten sterven? Of was er iets heel anders aan de hand?

Waarom stonden er bijvoorbeeld dertien stoelen rond de tafel, als bij een parodie van het Laatste Avondmaal? Welke vreemde, godslasterlijke rituelen vonden hier plaats? Kijk, maatje... Hier heb je een kaart van het middeleeuwse Brugge. Ze verschilt weinig of niet van een stadsplan uit deze nieuwe eeuw. Zie je?

De stad heeft nog steeds de vorm van een doolhof, van het binnenwerk van een horloge, van een onoverzichtelijke spiraal die zich niet stoort aan de wetten van tijd en ruimte. Een argeloze toerist die niet voorzien is van kaart of kompas moet hier reddeloos verloren lopen, maatje. Hij of zij zal voortdurend op zijn of haar vertrekpunt terugkeren, en weet je ook waarom? Nee? Omdat hij of zij misleid wordt, maatje, door de middeleeuwse architecten die deze stad verloren hebben gelegd in hun zwartmagische kringen en slingeringen! Dààrom! Omdat elke geschiedenis in deze stad gedoemd is zich te herhalen tot het einde der tijden, maatje! Dààrom! Omdat de Machten van Goed en Kwaad hier al eeuwenlang hun eeuwige strijd leveren! Dààrom!

Bruges on Amazon

Vrijdag de 13de - ... en het Heilig Bloed van Brugge

De Orde van de Tempeliers werd opgericht in het begin van de twaalfde eeuw en moest de belangen van het westen veilig stellen in het oosten. Ze kreeg in de Heilige Stad Jeruzalem een onderkomen in de Tempel van Salomon, en zo kwam ze ook aan haar naam. De ridder-monniken die toetraden tot de Orde droegen witte mantels met een rood kruis. Ze speelden een belangrijke rol tijdens de kruistochten, niet alleen als militairen, maar ook als bankiers. In het begin van de veertiende eeuw leken de kruisvaarten voltooid verleden tijd geworden, maar ondertussen hadden de Tempeliers wel een ongeëvenaarde economische en militaire macht uitgebouwd. In heel Europa bezaten ze vestigingen. Hun hoofdkwartier bestond uit een burcht in het hart van Parijs.

De macht en de rijkdom van de Tempeliers, bij wie heel wat koningen in het krijt stonden, staken de ogen uit van de toenmalige paus Clemens en van de Franse koning Filips de Schone. In stilte beraamden zij een plan dat de macht van de Tempeliers te breken en zich meester te maken van hun rijkdommen. Overal in Europa moesten de ridder-monniken gearresteerd worden op één en dezelfde dag, op vrijdag de dertiende oktober van het jaar 1307 om precies te zijn. En sinds die dag is iedere vrijdag de dertiende een ongeluksdag...

Paus Clemens draaide een valse aanklacht in elkaar, waarin de Tempeliers werden beschuldigd van monsterachtigste ketterijen en het vereren van afgoden. Zowat alle Tempeliers werden vervolgd, gemarteld, in de ban van de kerk geslagen of op de brandstapel gezet. Maar sommigen onder hen wisten te ontkomen en slaagden erin hun schat in veiligheid te brengen. Volgens sommigen was die schat zelfs niets anders dan het Heilig Bloed van Christus!

Op Kerstmis 1148 zouden enkele Tempeliers inderdaad in het Heilig Graf, vlak bij de Tempel van Salomon, en in tegenwoordigheid van Diederik van den Elzas, graaf van Vlaanderen, een kruik gevonden hebben die het bloed van Christus bevatte. Ze goten het heilige vocht eerbiedig over in een achthoekige fles, waarvan de uiteinden zorgvuldig verzegeld werden met twee gouden rozen. De vrouw van Diederik, de wondermooie Sybilla, stond aan zijn zijde. Ze was besmet met lepra, net zoals enige Tempeliers die zich in haar gezelschap bevonden. Bij het overgieten van het Heilig Bloed mocht zij de kostbare reliek even in haar handen houden. Toen kreeg zij, geplaagd door heftige koortsaanvallen als gevolg van de lepra, een visioen waarin ze zich in Brugge zag, dat 'een nieuw Jeruzalem van het westen' leek. Vervolgens genas zij op een miraculeuze wijze, evenals alle melaatsen die haar omringden.

Voor de bevolking van Jeruzalem en voor de christelijke legers deed de mooie Sybilla toen de plechtige gelofte van Brugge een nieuw Jeruzalem te maken, een Heilige Stad. Op 7 april 1150 bereikte het Vlaamse leger dit Jeruzalem van het westen, waar de metselaars net de Sint-Basiliuskapel hadden afgewerkt. Voor de meest uiteenlopende zaken, van persoonlijke aangelegenheden tot belangrijke politieke beslissingen, zou voortaan het Sanguis Christi, het Heilig Bloed aangeroepen worden. Op Goede Vrijdag werd het telkens weer vloeibaar - een wonder dat plots ophield toen de Tempelorde werd opgeheven. Een broederschap werd belast met het bewaken van het Koninklijk Bloed of de Sang Real, wat door een klankverschuiving uiteindelijk de San Greal, de Saint Graal, de Heilige Graal zou worden. Daarom is het ook in Brugge dat de Machten van Goed en Kwaad, van Licht en Duisternis zo hevig als nergens anders ter wereld slag leveren. Want als deze stad ooit werd uitverkoren om een Heilige Stad te worden, dan zou het ook hier zijn dat de Satan zijn belangrijkste wingewest moest vestigen.

Volgens niet bevestigde berichten heeft men het Heilig Bloed van Brugge, oftewel: de Graal, in 1578, tijdens de Godsdiensttroebelen, verstopt in een huis genaamd 'Den Noodt Godts' en zou er naderhand een valse relikwie naar de Basiliuskapel teruggekeerd zijn, terwijl de échte Graal veilig bewaard bleef in het huis dat wij zoeken...

Comments

Submit a Comment

No comments yet.